Afgelopen week zijn mijn moeder, mijn zus en haar zoons en ons gezin met de schaatsvrienden van André naar de Weissensee geweest. Sinds 1989 wordt hier de
Alternatieve Elfstedentocht georganiseerd.
Naast wedstrijden worden er ook toertochten georganiseerd. In 2011 deden daar ruim 3.500 schaatsers aan mee. 2.063 deelnemers haalden het ultieme doel: Op één dag 200 kilometer schaatsen. André was vorig jaar één van hen. Hij reed de tocht in een ijzersterke tijd van 7 uur en 24 minuten.
Het was moeilijk, maar vooral waardevol om een jaar later met elkaar op de Weissensee te zijn. We hadden allemaal hetzelfde schaatspak en reden met André in onze gedachten de eerste toertocht. Jesse, de oudste zoon van André, mocht van de organisatie ’s ochtends om 7.00 uur het
startschot geven.
Marcel, Lex en Carel reden in het voorste peloton. Helaas brak Carel zijn schaats bij een val in de laatste ronde. Hij heeft het laatste stuk op een schaats van Mariëlle uitgereden. Ook Freek (75 km) en Ingrid (50 km) leverden een prima prestatie. Door valpartijen en de barre omstandigheden (’s middags waaide het enorm) was het een moeilijke tocht. Zelf reed ik na ruim 6 uur schaatsen samen met Mariëlle (75 km) en Patrick (87,5 km) over de finishlijn. Ik was zelf 4 keer gevallen en na 125 km was het genoeg geweest. Ik was niet sterk genoeg om door te gaan…
Drie dagen later werd de tweede toertocht gereden. Mijn zoon Stefan wilde 25 km (2 ronden van 12,5 km) rijden. Aangezien Ine (de vrouw van Carel), Angela (vriendin van Mariëlle) en Maarten (studiegenoot) ook meededen, wilde ik zelf weer meedoen. Ik heb wel andere schaatsen gehuurd om te proberen. Met Salomons ga je makkelijker over scheuren, maar je rijdt wel langzamer.
De eerste twee ronden heb ik samen met Stefan gereden. Dat was koud (-15 graden), maar erg gezellig en Stefan reed goed. Toen hij ging uitrusten, ben ik zelf verder gegaan. De gehuurde Salomons zaten prima. Het weer was goed en ik viel niet. Pas vanaf ronde 12 (na ruim 130 km) werd het lastig. De groep waarmee ik reed, ging eigenlijk te hard. Ik probeerde ze wel bij te houden, maar dat moest ik bezuren. De kracht verdween uit mijn benen, ik kreeg het zwaar en ging langzamer rijden.
Ondertussen had ik berekend dat er misschien voldoende tijd was om ‘de laatste ronde in te mogen’. Daarvoor moest je om 17.30 uur 15 ronden hebben gereden. Voor drie ronden had ik nog 2 uur en een kwartier. Als ik niet nog langzamer ging rijden, moest dat kunnen. Alhoewel: er waren geen groepjes om bij aan sluiten en het zou straks donker worden. Laatste ronden heb ik alleen en op eigen tempo gereden. Meer en meer kwam het vertrouwen dat ik de 200 km kon gaan halen. Dit besef en de aanmoedigingen gaven me de kracht om door te gaan.
Om na 10 uur, 55 minuten en 14 seconden je gezin in de armen te mogen slaan, is een onbeschrijfelijk dankbaar gevoel. Juichend de hotelbar binnenkomen is ook fantastisch. Maar ik zal nooit vergeten dat ik met Jesse proostte op André. Dat dubbele gevoel is voor mij “De kracht van de Weissensee”.